Hoe bouwen we aan een landbouwsector die economisch sterk én duurzaam is? In aanloop naar het nieuwe SER Noord-Nederland advies dat in 2026 verschijnt op verzoek van de provincie Groningen, gingen onze raadsleden Caroline Cnossen en Rudy Rabbinge hierover in gesprek.
In het interview benadrukken zij dat landbouw niet één sector is maar achttien verschillende bedrijfstakken met “ieder hun eigen kenmerken en karakteristieken”, aldus Rabbinge. Hij wijst erop dat landbouw maar 3% van het BNP is, maar we kunnen wel 30 % van onze handelsbalans aan deze sector toeschrijven. Dit wordt vaak onderschat.
Cnossen legt de nadruk op vertrouwen en duidelijkheid: “Ik denk dat het vertrouwen op dit moment best wel laag is […] Dit vertrouwen moet echt groeien en dat kan als er een goed plan komt.” Ze pleit voor een plan met inhoud en perspectief voor twintig of dertig jaar. Beiden benadrukken het belang van regionaal maatwerk, waarbij goede gronden optimaal benut worden en andere gebieden ruimte bieden voor natuur of gemengde functies.
Daarnaast komt technologische innovatie uitgebreid aan bod. Van AI en robotisering tot precisielandbouw. “Dat is de kracht van Nederlandse land- en tuinbouw altijd geweest. We zijn gericht op innovatie, niet op bescherming,” aldus Rabbinge. Toch waarschuwen ze dat technologie alleen werkt als het past bij het bedrijf en goed wordt onderhouden. Ook onderwijs speelt een sleutelrol: studenten moeten leren kritisch te denken en nieuwe verdienmodellen te verkennen.
Benieuwd naar hun ideeën over technologische innovatie, AI en hoe onderwijs de landbouw kan vernieuwen? Lees hieronder het volledige interview!
Het landelijke SER-advies benadrukt dat boeren perspectief nodig hebben via stabiele transitiepaden en ketensamenwerking. Hoe ziet u dat in Noord-Nederland: lukt het om boeren dat vertrouwen en die duidelijkheid te bieden, en waar liggen volgens u de grootste knelpunten?
Caroline Cnossen: “Ik denk dat het vertrouwen op dit moment best wel laag is als het gaat om wet- en regelgeving. Dit vertrouwen moet echt groeien en dat kan als er een goed plan komt. Provincies zoals Groningen en Friesland hebben inmiddels een duidelijke visie ontwikkeld, Drenthe vermoedelijk ook. Je ziet welke kant de provincie op wil en dat biedt enige richting. Maar uiteindelijk hangt veel af van wat er landelijk besloten wordt. Als er wordt besloten om het wetsvoorstel van Holman en Grinwis door te voeren, waarbij een boer alleen zoveel koeien mag houden als past bij de hoeveelheid landbouwgrond die hij heeft, dan wordt het moeilijk.
In ons eigen bedrijf zoeken wij de samenwerking op. Bijvoorbeeld met de naastgelegen akkerbouwer. Wij hebben grasland en dit wisselen we elk jaar met elkaar uit. Op die manier hebben zij hun aardappels elk jaar op een ander perceel staan. Dat resulteert in winst voor de bodem en voor de biodiversiteit.”
Rudy Rabbinge: “Ik denk dat het van belang is om te vast te stellen dat het in de discussie vaak gaat over ‘de landbouw’. De landbouw bestaat uit achttien bedrijfstakken. Die bedrijfstakken hebben ieder hun eigen kenmerken en karakteristieken. Als je gaat kijken naar het verdienvermogen en de toekomstperspectieven van die verschillende bedrijfstakken, dan wordt daarbij onvoldoende onderkend hoe goed ze zijn. Op dit moment is Nederland de tweede agrarische natie van de wereld, met €120 miljard aan exportwaarde. Dat komt omdat wij hoogwaardige producten op een klein areaal verbouwen.
Er zijn nog steeds veel mensen die zeggen: ‘De landbouw stelt niets voor, het is maar 3% van ons Bruto Nationaal Product (BNP)’. Ja, dat klopt. Maar het BNP is een optelsom van alle inkomens in Nederland. Je moet kijken naar de handelsbalans en je realiseren dat het BNP als graadmeter niet werkt. 30% van onze handelsbalans is toe te schrijven aan de landbouwsector. Dat is natuurlijk interessanter dan die 2-3% die daarin werkzaam is.”
De SER pleit voor een lerende aanpak waarin landbouw, natuur en technologie samenkomen. U heeft eerder gewaarschuwd voor het mengen van landbouw en natuurbeheer. Hoe kijkt u aan tegen deze integrale benadering zoals de SER die voorstelt?
Rudy Rabbinge: “Je hebt de zogenaamde discussie over sharing en sparing. Dat houdt in dat je op de goede gronden de goede dingen doet. Dan houd je ruimte over die je kunt inzetten voor andere functies. Maar voor die overige ruimte heb je een ander verdienmodel nodig dan voor de goede gronden.”
Caroline Cnossen: “We hebben hele goede grond in Nederland en die hebben we echt hard nodig om goed in te zetten. Wij hebben melkvee en daar heb je gras en mais voor nodig. Dat kan hier heel goed. We kunnen hier ook aardappels verbouwen, maar dat is niet efficiënt en productief. Zo moet je eigenlijk gaan kijken: waar kunnen we wat doen? Op de juiste manier en in samenhang natuurlijk. Varkens zitten nu bijna allemaal in Brabant. Zouden we bijvoorbeeld toch moeten kijken naar wat meer spreiding? En is dat wel de goede plek voor die varkens? Of de kippen? En moet je niet veel meer terug naar de gemengde bedrijfstakken? Je hebt veel technologie wat je daarbij in kunt zetten, want dat gaat natuurlijk wel veel arbeid schelen.”
Rudy Rabbinge: “Ja, dat is een heel goed voorbeeld. De varkens en de kippen zitten nu vooral in het oosten van Brabant en in de Gelderse Vallei. Daar is een historische reden voor. Rond de zestiger jaren waren er grote katholieke gezinnen in Oost-Brabant en grote gereformeerde gezinnen in de Utrechtse en Gelderse vallei. Al die kinderen konden niet meer allemaal gaan boeren. Op het boerenerf kon je alleen voortbestaan als je het boeren niet grondgebonden maakte. Daardoor konden veel boeren in de landbouw actief blijven via de intensieve veehouderij en dat heeft ook heel veel welvaart gebracht.
Dat ging gepaard met investeren in schuren om die intensieve veehouderij te laten plaatsvinden. Dit werd ook door de overheid gesubsidieerd. Maar het gevolg was dat er veel mestproblematiek ontstond. Begin jaren ’90 werd daardoor het Minerale Aangiftesysteem geïntroduceerd, de Minas. Daar waren de boeren aanvankelijk tegen, maar ze zijn er nu erg voor. Je gaat daarmee namelijk de efficiëntie van de aanwending van je hulpmiddelen erg verbeteren. De Minas in 2006 afgeschaft, terwijl tussen 1996 en 2006 de emissie milieubelasting door de veehouderij met ongeveer 60-70% was gedaald. Nu komen juist vanuit de boerenorganisaties pleidooien om weer met de Minas te starten.”
Caroline Cnossen: “Dan kan je ook wat gerichter sturen: wat heeft de bodem nodig en wat hebben we? En dan moet je die grond soms ook uitwisselen.”
Volgens de SER zijn onderwijs en technologische innovatie – zoals AI en robotica – cruciaal voor een toekomstbestendige landbouw. Waar liggen volgens u de grootste kansen én risico’s als het gaat om het opleiden van nieuwe boeren en het toepassen van deze technologieën in de praktijk?
Caroline Cnossen: “Ik denk dat er al best veel kennis in het groene onderwijs zit, maar dat er nog veel uitgevoerd moet worden. Vaak gaat het om een bedrijf dat al generaties lang in de familie zit en dan worden gebruiken overgenomen. Er zit een gedragspatroon achter waarom mensen op een bepaalde manier bezig zijn. Ik denk het de taak van het onderwijs is om de studenten te leren om kritisch te denken. Bijvoorbeeld tijdens de Hackathon met studenten van de Hogeschool Van Hall Larenstein en DCTerra. Zij gingen samen nadenken over de boerderij van de toekomst. Wat kunnen we bijvoorbeeld met veel lege kassen in Drenthe? Als je dan een wilde brainstorm doet, dan komen daar echt ideeën uit. Rijst verbouwen, is dat een belachelijk idee? Wat heb je nodig om rijst te verbouwen? Water en warmte. Dat hebben we eigenlijk wel. Ik weet niet of het een haalbaar idee is, maar dat kritische denken moeten ze leren.
Aan de andere kant heb je natuurlijk AI, wat heel erg opkomt. Dit biedt veel kansen. Met AI kun je snel gegevens analyseren, maar je moet je er ook niet blind op vertrouwen. Het kan wel goed helpen om je bedrijf te optimaliseren en inspanning kleiner te maken. Er zijn veel technologische ontwikkelingen, maar niet alles past bij jou als ondernemer. Je moet het goed in kunnen zetten en onderhouden.”
Rudy Rabbinge: “Ja, maar dat is de kracht van de Nederlandse land- en tuinbouw altijd geweest. Wij zijn gericht geweest op innovatie, niet op bescherming. Dat is al begonnen in de negentiende eeuw. Goedkoop graan werd geproduceerd in de VS en dat werd naar Europa gebracht met zeilboten. Met de komst van de stoomboot kon er veel meer graan naar Europa gebracht worden. Dat had tot gevolg dat de markt voor granen ontwricht werd. De landbouwsector werd hier de dupe van. Frankrijk en Duitsland beschermden de sector met heffingen. Maar Nederland is een handelsnatie, die kon de grenzen niet sluiten. Daarom ging Nederland op zoek naar alternatieven: het versterken van de concurrentiekracht, zodat onze eigen boeren competitiever werden. Kennis en innovatie moesten veel meer worden benut. Toen is ook de hogeschool, en later universiteit, van Wageningen opgericht.”
Caroline Cnossen: ”Als je gaat kijken naar hoe de aardappelproductie en de graanproductie zo omhoog is gegaan, dan heeft dat te maken met technologie en robotisering. Neem bijvoorbeeld de onkruidbestrijding. Wat je eerst handmatig met de schoffel deed, dat gaat nu allemaal machinaal. Het kost geen arbeid en je kan het veel beter bijhouden.
Rudy Rabbinge: ”Ja, er wordt wel eens denigrerend gedaan dat mensen uit andere landen hiernaartoe komen om tomaten te plukken. Maar het merendeel van de tomaten wordt niet meer geplukt, dat gebeurt machinaal. Of er wordt over bestrijdingsmiddelen gemopperd, maar dit kan heel precies met spot-specifieke behandelingen.”
Caroline Cnossen: “Je rijdt dan een machine over het land en spuit alleen gif op een bepaalde plant. Als het geen onkruid is, dat wordt er niet gesprayd. Dan krijg je een heel nauwkeurige manier van onkruid bestrijden en dat is natuurlijk heel mooi.”
Rudy Rabbinge: ”Die hoogproductieve landbouw is veel efficiënter, effectiever en ook veel minder verspillend en vervuilend dan de traditionele landbouw. De kennisoverdracht van moeder op dochter of van vader op zoon is niet meer toereikend. Je hebt veel meer kennis en inzichten nodig.”
Caroline Cnossen: ”En de ervaring uitwisselen ook. In Nederland is een landelijke dekking van agrarische opleidingen in elk type onderwijs en ook in praktijkgericht onderzoek. Overal zijn studenten betrokken. Dat helpt ook om die traditionele denkwijze te veranderen. Die is niet per se fout, maar we moeten nu wel doorontwikkelen. Daarmee heb je wel de zekerheid van wet- en regelgeving nodig.”
Rudy Rabbinge: ”Het verdienmodel is enorm belangrijk. Er wordt heel veel gepropageerd van buiten de landbouw over hoe de landbouw ingericht moet worden. Er zijn veel Amsterdamse dagdromers die een visie op landbouw hebben, maar waar geen enkele realiteitszin in zit. Het is een economische activiteit, dus er moet altijd een verdienmodel zijn. Als dat er niet is, dan kun je nog wel een tijdje subsidiëren, maar dan hou je het niet lang vol. Noord-Nederland moet zich vooral oriënteren op de bedrijfstakken waar we iets te bieden hebben.”
Caroline Cnossen: ”Ja, precies en dat we dat goed doorontwikkelen. Bovendien heb je ook een stukje voedselzekerheid nodig voor Nederland. Het is ook belangrijk dat het betaalbaar blijft. We kunnen veel mooie plannen bedenken, maar het moet wel realistisch en uitvoerbaar zijn.”
Het SER-advies benadrukt dat beleid voor duurzame landbouw regionaal maatwerk moet bieden, met ruimte voor gebiedsgerichte oplossingen. Hoe ziet u dat in Noord-Nederland: waar liggen volgens u de kansen van een regionale aanpak, en waar schuurt die met landelijke kaders?
Caroline Cnossen: ”Ik denk dat je met maatwerk moet werken, omdat je afhankelijk bent van de voedselproductie. Ook omdat de ene grond zich leent voor het ene doel, en de andere grond beter geschikt is voor iets anders. We hebben in Groningen het landbouwgebied, de Noordpolder, met de aardappelteelt. Dat is grond waar je wilt produceren. Juist daar moet je de landbouw stimuleren. En op de gronden waar je meer richting dubbeldoel zit, met grutto’s, natuurgebieden en dergelijke, moet je je daarop focussen. Dat moet je echt per gebied bekijken.
De afgelopen twintig jaar is er veel schaalvergroting geweest. Een boer met zestig koeien kan geen gezin meer onderhouden. Maar misschien zitten ze nu wel op een plek die niet handig is. Daar moet je gaan kijken: kunnen we schuiven of verplaatsen met zo’n bedrijf? Of komt er een alternatieve tak bij? Daar moet je met mensen over in gesprek. Maar dan moet je wel goed kijken naar het gebied en de belangen.”
Rudy Rabbinge: ”Ik denk dat het maatwerk vergt en dat je kennis van zaken hebt. Soms werkt generiek beleid en soms niet. Specifiek beleid moet gericht zijn op de karakteristieken en de mogelijkheden. Dat heeft Nederland in het verleden al goed gedaan. Maar dan moet er ook de bereidheid zijn vanuit de overheid om niet met slogans of lege begrippen te gaan werken, maar met echt beleid.”
Caroline Cnossen: ”Precies, het moet ook inhoud hebben. En de inhoud moet perspectief bieden voor langere tijd. Niet vijf jaar, maar twintig of dertig jaar. Dan kun je ergens een stip zetten. We weten nu niet waar we naar toe gaan. Als we dat wel weten, dan kunnen we veel gerichter inzetten op die AI en robotisering. Nu durven mensen door de onzekerheid die stap niet te maken.”
Rudy Rabbinge: “Ja, maar je moet ook perspectief bieden. In de zeventiger jaren organiseerden we vergaderingen met boeren en daar praatten we altijd over de opbrengst. Bijvoorbeeld: “Wat voor opbrengst hebben jullie voor het graan?” Sommige boeren zaten op vier ton en andere op zeven ton. Ik gaf dan vanuit mijn vakgebied aan dat onder optimale omstandigheden een boer wel twaalf ton kon realiseren. Als professor uit Wageningen werd ik dan niet direct geloofd, maar op dit moment is de gemiddelde opbrengst twaalf ton. Dus je kunt perspectief bieden door de mogelijkheden te schetsen. Dat doe je niet door te benoemen om er planten bij te gaan verbouwen als extra verdienste. Nee, het moet wel enige schaal hebben, anders gaat het niet werken.
Mijn voorouders zijn rond 1400, 1500 begonnen in het gebied Rabbinge. Daar wordt een grote 500 hectare beheerd door één boer. Dat komt omdat daar ook natuurontwikkeling is. Het zijn schrale gronden dus er kunnen geen hoge opbrengsten gerealiseerd worden. Het kan wel, maar dan heb je veel input nodig, dus veel verspilling en veel vervuiling. En dat moet je niet willen. Dan moet je dus zeggen: daar moet een combinatie gerealiseerd worden, in dit geval met natuurontwikkeling. Maar dat kan alleen als de overheid, in dit geval het Drentse Landschap, zich committeert en bijvoorbeeld de salarissen van de boer betaalt. Dan kan het alleen uit. Maar het is ook van belang dat je aan mensen laat zien hoe het eraan toe gaat op de boerderij. Zo creëer je meer draagvlak.”
Caroline Cnossen: ”Dat is wel de beste manier, om het boerenleven echt aan mensen te laten zien.”
Rudy Rabbinge: ”De provincie moet zich realiseren dat zij een taak hebben om te faciliteren en om hulp te bieden, zodat er een versnelling van ontwikkeling kan plaatsvinden. Ook moeten ze vertrouwen op de deskundigheid en de ervaring van boeren.”
Caroline Cnossen: “Je moet echt met z’n allen om tafel. En er moet door iedereen water bij de wijn worden gedaan. Je moet er toch samen uitkomen.”